
Jurisprudentie
AR7113
Datum uitspraak2004-12-08
Datum gepubliceerd2004-12-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308582/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308582/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 16 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) appellante gelast de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] stil te leggen.
Uitspraak
200308582/1.
Datum uitspraak: 8 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 november 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Oudewater.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) appellante gelast de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] stil te leggen.
Bij besluit van 26 november 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 november 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 9 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2004, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem en ing. G.C.M. Verklei, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.P.W. van den Berg en A.B. den Boer, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Vast staat dat de bouwwerkzaamheden waarvan de stillegging is gelast betrekking hadden op de bouw van een woning met garage. Vast staat voorts dat appellante in weerwil van het gehandhaafde besluit van 16 juli 2002 de woning en garage geheel heeft voltooid.
Ter zitting is van de zijde van appellante verklaard dat zij van dit besluit geen nadeel heeft ondervonden en dat het hoger beroep er uitsluitend toe strekt om met het oog op de door het college ter zake van de bouw van de woning met garage opgelegde last onder dwangsom een uitspraak te verkrijgen over de vraag of in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd.
De vraag of is gebouwd in afwijking van de bouwvergunning kan evenwel ten volle aan de orde worden gesteld - hetgeen appellante ook heeft gedaan - in de procedure ter zake van het dwangsombesluit.
Gelet hierop is van enig belang bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde bouwstop geen sprake meer.
2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004
71-412.

